woensdag 24 november 2010

Waar zijn al die judoka gebleven?

Stoppen met judo?

Waarom stoppen zo ontzettend veel judoka voor ze goed en wel hun zwarte band hebben gehaald – een eerste proeve van meesterschap? Dat is een vraag die de laatste tijd vaker bij me is opgekomen. Ik hoor net iets te vaak verhalen van (vaak nog jonge judoka) die er zomaar opeens mee ophouden. Je ziet ze gewoon niet meer en je hoort er nooit meer iets van. Hoe veel judoka onder de twaalf zitten er in de judogroepen, en hoeveel jongens en meiden van zestien trainen er nog in de gemiddelde dojo? Hoeveel twintigers blijven trouw aan hun judo? Waar zijn ze gebleven? Zeker de meiden blijven enorm achter, ondanks de sterke voorbeelden van de Nederlandse judovrouwen die het wereldwijd veel beter doen dan de mannen…

Een van de problemen is de organisatie van de sportscholen. Er is veel aandacht voor de jeugd die soms in de rij staat. Er is veel aandacht voor de wedstrijdselecties – als die er zijn, niet elke sportschool heeft die, en judoka die wedstrijden willen doen, vertrekken dan meestal naar de clubs waar je verder komt. Maar waar kan een jongere gewoon lekker recreatief judo doen? Waar kan een recreatieve senior terecht? Kan een jongere van 18 een zwarte band halen zonder wedstrijden te gaan doen? Zal hij/zij een geschikte partner vinden om dan het verplichte nage no kata te doen? Wat voor club moet je hebben om die toevallig ook nog te vinden? En dan ook nog eens de vraag: kun je sowieso nog wel serieus en uitdagend trainen als je geen deel bent van een wedstrijdselectie?

Wedstrijdjudo?

Wedstrijdjudo is geen must natuurlijk. Zou het niet moeten zijn tenminste, maar de praktijk is anders. Judoka die het tegen hun zin tóch gaan doen, kunnen er trouwens maar beter meteen mee ophouden. Cichorei Kano zegt deze week iets héél erg waars over judoka, wedstrijden en winnen (Judoforum 23-11):
Veel, héél veel jûdôka die met wedstrijden beginnen voordat ze er klaar voor zijn en echt weten wat jûdô is, zullen het niet best doen omdat ze steeds verliezen, en dus stoppen. Mensen, psychopaten uitgezonderd, hebben behoeften. Daarbij hoort dat ze waardering van anderen krijgen, warmte, bewondering, aanvaarding, enzovoorts. Als je geconfronteerd wordt met verliezen, is dat voor velen iets als ‘minder zijn’ en je krijgt er niet veel support door. Dus, als iemand dan de keus heeft tussen doorgaan in iets waarin hij niet succesvol is, of het alternatief heeft om iets anders te gaan doen waarin hij meer succes heeft, is de keus snel gemaakt.
Ik denk dat meneer Kano gelijk heeft. Je ziet het namelijk gebeuren. In veel judoclubs word je pas serieus genomen als je wedstrijden gaat doen. Recreatief judo, zeker bij de jeugd, is een ondergeschoven kindje. Als je dan niet succesvol (genoeg) bent – wat allerlei redenen kan hebben – moet je wel héél erg sterk gemotiveerd zijn om niet weg te gaan. Ik ken wel wat stoppers die exact om die reden zijn opgehouden, zonder het soms zo expliciet te zeggen. Nét niet goed genoeg, nét te veel verloren, en dus… niet leuk meer.

Zwarte band


Een bijkomend probleem voor niet-wedstrijdjudoka is, dat je een keer toch wilt laten zien wat je judo waard is. Zeker als je het al twaalf jaar doet of zo, en dan vijf jaar de bruine band hebt en iedereen om je heen gaat vragen: “En, wanneer…?” Ook dán moet je mentaal heel sterk zijn om te kunnen zeggen: “ik ben heel tevreden…” Het is zoiets als geen rijbewijs hebben op je twintigste.

In de judowereld wordt de zwarte band (shodan) echter bijna altijd behaald met danpunten of het felbegeerde Nederlands kampioenschap -17 of ouder. En danpunten behaal je alleen als je meedoet met wedstrijden en dan ook nog eens wint. Wil je geen wedstrijden doen, dan moet je dus een hele goede partner voor het kata vinden en een sportschool waar iemand je goed kata kan aanleren. Het is dan écht makkelijker om een paar ippons te scoren, heus. Maarrr… daar zit een weeffout.

De eerder geciteerde Cichorei Kano zegt daarover (Judoforum, 22-11-2010):
“Ik geloof dat het essentieel is dat iemand voor shodan ook wedstrijden doet, zover als mogelijk, uitzonderingen daargelaten, als lichamelijke ongemakken dit onmogelijk zouden maken, gevorderde leeftijd, of andere dingen die wedstrijden zouden maken tot iets wat slecht zou zijn voor de realisatie van de principes van het jûdô.”
Ik ben het daar eigenlijk helemaal mee eens. In normale gevallen moet een judoka wedstrijden doen voor de zwarte band, omdat shiai essentieel onderdeel van judo is. Zoals ik ook vind dat elke judoka kata moet doen, en zijn shodan niet louter op wedstrijden zou mogen halen. Al moet men dan voor judoka boven de 25 ook serieuze wedstrijden organiseren – wat dus niet bestaat omdat er buiten de bestaande wedstrijdselectie geen belangstelling voor is. De meeste volwassen recreanten zijn bovendien al weg… Maar desondanks. Echter:
Ik denk niet dat het nodig is om wedstrijden te WINNEN. Shiai voor dan-promoties, wat eigenlijk tsukinami-shiai is, kohaku-shiai, of voor hogere graden kôten-shiai of kôdansha-shiai, zijn bedoeld als vaardigheidstesten. Ze hebben tot doel om de effectiviteit van je technieken, je strategie, uithoudingsvermogen en je mentale scherpte te testen. Daarom is het voor hogere dangraden ook niet meer nodig om wedstrijden te doen, je mag immers aannemen dat ze dat al bewezen hebben bij eerdere examens.
Daarom lijkt me het systeem van danpunten ook waanzinnig. Laat staan de Nederlandse Kampioenen belonen met een dangraad. Het gaat om vaardigheid, niet om ippons. Natuurlijk, wie ippons scoort is goed in effectieve technieken of strategie. Maar is de enige manier om dat te bewijzen het winnen? Daarmee leg je de lat voor judoka bewust en onbewust op een plek waar ze niet moet liggen: medailles. Terwijl je ook anders kunt beoordelen of iemand goed is, of een graad waardig.
“Niet iedereen is even vaardig. Er zijn veel redenen, zoals een gemiddelde conditie, leeftijd, lichamelijke kracht, zenuwen, faalangsten, matig strategisch inzicht, blessures, etc. Deze mensen zullen waarschijnlijk veel minder winnen, of misschien nooit. Het is dan belangrijk dat ze het blijven proberen zolang ze kunnen, aangezien het – zolang het veilig is – bijdraagt aan het testen van de effectiviteit van technieken in het gevecht. Hoewel shodan vaak gezien wordt als een wedstrijdgraad, wat zelfs betekent dat het (in sommige landen) behaald kan worden door loutere wedstrijdresultaten (iets als batsugun), wil niet zeggen dat het niet behaald zou kunnen of moeten behaald worden zonder wedstrijdresultaten.”
Wie niet meekomt, stopt onnodig

Omdat de nadruk op wedstrijden in het judo dus uit balans is geraakt, stoppen er heel veel judoka die eigenlijk heel goed zouden kunnen doorgaan, of makkelijk kun zwarte band zouden kunnen halen. Sportscholen hebben te weinig aandacht voor recreatieve judoka in het algemeen, stimuleren hen te weinig, en laten judoka die niet willen/kunnen meekomen met wedstrijden, wel erg gemakkelijk gaan. Om over de kleine seniorengroepen maar te zwijgen. Daarnaast is het behalen van een dangraad vaak gebaseerd op verkeerde uitgangspunten. Kata is te vaak een bijkomend gebeuren, wat het niet zou mogen zijn. Maar ook de wedstrijdroute is niet in balans.

Er zou in ons land nog eens goed moeten worden nagedacht wat we nu eigenlijk willen met judo. Het is zó jammer voor al die judoka die ermee ophouden, keer op keer… er gaat veel talent verloren.

zaterdag 13 november 2010

Kime no kata

Op het Judoforum is naar aanleiding van de aanhoudende discussie over de 'Nederlandse' kata (door Chris de Korte 'Busen' genoemd) de idee opgekomen om volgend voorjaar een weekend te organiseren (met forumleden en gevorderde judoka) om Kime no kata en Ju no kata te studeren. De schrijver van dit weblog heeft dit idee uiteraard omarmd en zal er alles aan doen om dit ook mogelijk te maken qua organisatie.

Of ik zelf de mat op zal gaan met al de grote namen die verwacht worden, weet ik nog niet. Waarschijnlijk niet. In onze eigen dojo is het idee met enthousiasme ontvangen, vooral bij enkele gevorderde judoka. Ik heb nu ter bestudering de Kodokan DVD kime no kata op mijn bureau liggen, en Ju no kata heeft me sowieso altijd geboeid. Ik heb uiteraard niets tegen randori en de randori-kata, maar ik heb nog steeds het gevoel dat we bij deze kata - die ook door Jigoro Kano zo werden gewaardeerd - héél dicht bij de wortels van het judo zitten. Ergens jammer dat ze alleen geleerd worden door mensen die vierde dan of hoger willen worden - het gaat in feite over de grammatica.

Waarom zijn deze twee zo oorspronkelijk? Ju no kata vanwege de perfectie van de beweging en interactie (het summum van de harmonie van krachten met de grootst mogelijke zachtmoedigheid) en Kime no kata omdat je dáár de maximale efficientie van het judo als zelfverdediging ziet. Wie Kime no kata echt beheerst, hoeft tevens niet meer bang te zijn voor jochies met messen (als ze tenminste van voren aanvallen) want vreemd genoeg is het bij Kime no kata Uke die aanvalt, en tori die perfect verdedigt. Het eerste deel in newaza, het tweede deel met echte steekwapens, een zwaard (katana) en een dolk (tanto). Ik heb beide wapens al enige tijd in bezit (foto: mijn 'arsenaal'), en ben benieuwd of ik op dit weekend ga zien hoe ze te gebruiken zijn als judoka. Al moet er dus duidelijk bij vermeld worden, dat het Uke is die ze gebruikt, en Tori die ont-wapent. Judo blijft de zachtmoedige weg, waarbij techniek werkelijk zegeviert over geweld, en zelfs effectief is tegenover wapens.

Over beide kata zijn overigens uitstekende boekjes geschreven door Mas Blonk en Richard de Bijl. Ik heb de boeken gelukkig nog tweedehands kunnen kopen, want Uitgeverij Elmar heeft ze niet meer. Hieronder voor wie nog nooit van Kime no kata gehoord heeft, een videootje. Niet schrikken van de kiai...