woensdag 16 augustus 2017

Kano en het afscheid van jû

Afgelopen zondag gaf ik al wat onverhulde kritiek op het toepassen van seiryoku zenyo zoals stichter Jigoro Kano een en ander ontworpen heeft. Het is natuurlijk wat anachronistisch om inzichten van meer dan een eeuw geleden te beoordelen met de kennis van nu, maar de natuurwetten waar Kano zich op baseert, dateren van voor zijn tijd en sommige dingen lijken gewoon niet tot in de consequenties doordacht. Dat moet gezegd kunnen worden, zonder het als vloeken in de judokerk te bezien.

Eerdere kritiek

Zo is er al eerder gefundeerde kritiek geweest op Kano's toepassingen van kuzushi / balansvernietiging. Natuurwetenschappelijk kloppen Kano's modellen met vallende dozen in een bepaalde richting wel, maar Kano heeft nooit berekend wat het effect is op de balansvernietiging als het 'object' (de judoka) dat bewogen wordt, niet meewerkt. Het is heel mooi om in kata te oefenen dat uke zich als een plankje gaat gedragen door zijn buik/hara strak te spannen. Dan zijn de natuurwetten van vallen, hefboomeffect en balansvernietiging redelijk waterdicht toepasbaar. Maar elke judoka weet hoe je een judoka moet werpen met kata guruma of tsurikomigoshi als uke geen buikspanning geeft, laat staan als hij met kracht tegenwerkt. Dan kan tori de theorie van balansverstoring mooi willen toepassen en onder het zwaartepunt van uke duiken, maar de beweging en veranderende gewichtsverdeling maakt dat de vergelijking met de kantelende doos van Kano ook hard op zijn rug gaat. Om over wedstrijden en randori maar te zwijgen. De technieken met de mooiste judoprincipes, werken het slechtst in het vrije gevecht, terwijl alles wat sleurt met kracht, het prima doet. Ik ken maar enkele judoka die in wedstrijden de uitzondering zijn op de regel van power.

Wat ook niet werkt in de praktijk, is het principe van jû. Wat mag men daaronder verstaan? Dat judoka soepel met elkaar bewegen, elkaars energie delen, en de energie van de ander overnemen of er in mee-bewegen. Seiryoku zenyo, zo min mogelijk energie gebruiken en werpen met de energie van de ander. Wellicht dat er judoka zijn die zo licht bewegen met elkaar dat het in de praktijk toepasbaar kan zijn. Kyuzo Mifune kon dat denk ik wel demonstreren en Tokio Hirano vast ook. En anderen. Maar in al die jaren dat ik nu judo doe en bekijk, of er over schrijf, zie ik alleen maar dat soepel met elkaar meebewegen meer iets is voor hogere danhouders bij kata, gevorderde aikidoka, maar in judo zelden toe te passen is op technieken. Ik kan schrijven over vederlichte pakking, maar bij randori en meer, zie ik het niet gebeuren. En bij de meestgebruikte technieken ook niet.

De Kano-biograaf Syd Hoare, een autoriteit mag men wel zeggen, komt helaas tot dezelfde conclusies. In 2010 schreef hij over Kano en de tekortkomingen in de toepassing van . Helaas is de pdf van zijn boekje niet meer toegankelijk, maar ik vertaal wat losse delen. Judo als meegeven (yielding). Niet dus. Kano moest toegeven dat er heel wat situaties voorkomen waarbij je tóch actief energie moet geven. Let wel, Hoare haalt de voorbeelden/citaten aan uit de woorden van Kano zelf!

Fysieke omstandigheden

Als iemand je met kracht van achteren vastgrijpt, is er geen ontsnapping met louter meegeven/ju. Je kunt je namelijk niet aanpassen aan de energie van de ander. Je kunt een sterke omstrengeling op veel manieren overwinnen, maar niet door je aan diens kracht aan te passen. Dat geldt ook voor een aanval op je keel van voren. Er zijn veel antwoorden, maar niet de aanpassing aan diens kracht.
Verder, als judotechniek altijd beperkt is tot het meegeven met- of aanpassen aan de kracht van de tegenstander, kan judo niets betekenen als de tegenstander niet beweegt. Je kunt zelfs diens hand niet vastpakken of je eigen hand laag brengen. Alles moet je dan doen met een minimum aan kracht.
Mijn commentaar. Volgens dezelfde redenering zijn er wel zo veel vormen van pakking en/of aanvalsvormen vanuit pakking waarbij je net zo weinig kunt meegeven als met de omstrengeling van achteren. Bij de meeste verwurgingen kun je dat ook vergeten, en niet alleen die van voren bij je keel. 
Het tweede, het probleem met de statische judoka, is dus vergelijkbaar met wat ik hierboven al schreef als deficiëntie in de theorie van kuzushi. Aan de ene kant wilde Kano die theorie bewijzen door een demonstratie te geven met vallende dozen (statische objecten) terwijl hij aan de andere kant inziet dat juist statische objecten altijd een beweger nodig hebben die energie geeft. Anders blijven die dozen of statische personen namelijk gewoon staan. Hoe zwaarder die objecten/personen, en hoe stabieler, hoe meer kracht er nodig is om ze te bewegen. Dat idee van een minimum aan kracht is bij stabiele objecten gewoon onzin. Een betonblok van 4 ton, duw je niet uit balans zonder een evenredige druk, met machines nog wel. Niks ju, niks meegeven, niks zuinigheid.

Het probleem zit hem simpel in de illusie dat een judoka gewoonlijk aanvalt met een minimale energie die dan óók nog eens voldoende moet zijn om tori in staat te stellen zijn techniek te doen maken. Ik schreef al eerder hoe cruciaal de rol van een goede uke is, en waarom kata zo wezenlijk is. Maar zolang we uke een (evt. zelfs verdedigende) passieve slachtofferrol geven en we kata negeren, lijkt bijna geen enkele judoka de juiste maat (zenýo) te kennen als hij 'aanvalt'. Ik maak ook zéér zelden mee dat iemand goed uitlegt hoe groot die 'minimale' kracht dan wel moet zijn. Terwijl dat toch les 1 is van de eerste techniek in het nage no kata.... Enig idee waarom die uki otoshi anders vooraan staan dan? Wij maar denken dat die er staat om tori te pesten, maar het is om uke de belangrijkste les te leren! Tsja, wie doet het op die manier?

In de alledaagse praktijk heb ik sowieso nog bijna nooit een randori meegemaakt waarin de partner/judoka minimale energie gaf, of niet júist ging spelen met beweging en statische houding. Het fijne aanvoelen van verdediging tegen een aanval is soms, als dat mogelijk is, een spel van overnemen van energie. Het meegeven is dan de 'fout' van uke. Debana en pats. In alle gevallen dat uke echter de worp nog tegen kan houden, maakt hij gebruik van het gegeven dat hij alleen met kracht kan worden gepakt als hij zich als betonblok gaat gedragen, al is het een fractie van een seconde. Bewegen en stabiliseren, zodat de ander enorm veel kracht moet gebruiken om het 'betonblok' te verplaatsen. JU?

Geestelijke situaties
Als je tegenstander je krachtig aanvalt, heb je geen tijd om na te denken over nieuwe manieren om er mee om te gaan. Je hebt geen andere keus dan terug te vallen op oude trucs die je zomaar voor de geest komen, gebaseerd op eerdere ervaringen. Als de tegenstander niet aanvalt, maar alleen verdedigt, kan je geest daar niets mee en zullen nieuwe gedachten helemaal niet opkomen.

Verder, als iemand heeft besloten om een techniek te proberen op een tegenstander, moet je niet aarzelen of twijfelen of je dit of dat moet doen, maar resoluut zijn in je beslissing om een techniek te proberen. Om tegelijkertijd te denken aan alle mogelijkheden en proberen rond te bewegen, een techniek lichtjes te doen en zelfs als er geen betere methodes zijn niet terug te deinzen door er aan te denken en ze voort te brengen. Dat alles illustreert, dat alle methoden van aanval en verdediging heel moeilijk uit te leggen zijn met het loutere principe van jû. Het is evident dat, of we nu de mentale of lichamelijke aspecten bekijken, een nieuw basisprincipe noodzakelijk zal zijn om de enorme verscheidenheid van judotechnieken te bestrijken.
Vanaf de periode 1897-1907 begon Kano steeds minder van het ju-principe gebruik te maken om zijn judo uit te leggen. Hij schreef bijvoorbeeld in 1900 in het Kokushi magazine: "De allereerste vereiste voor nagewaza is de mobilisering van een minimale kracht om de tegenstander te werpen hoe en waar je wilt."

Mijn commentaar. Wat we hier zien is een Kano die het eigenlijk ook niet meer weet. In zijn theorie klopte het allemaal wel, en de natuurlijkheid van het Japanse landschap, het water, de kosmos en het soepele bewegen, zijn allemaal mooi. Maar in de praktijk was en is het judo toch een echte gevechtskunst, waarbij lichamelijk en geestelijk méér gebeurt dan meebewegen met de natuur. Zoals ik enkele weken geleden al schreef bij mijn beschouwingen over Mizu no kokoro, de geest als water, vraagt het een zen-achtige meditatie om je mindset zo te deprogrammeren dat je één wordt met de natuur.
Maar elke judoka weet dat je in de hitte van een randori meegenomen wordt door andere instincten, en we zijn na een training of wedstrijd niet moe van het meegeven, maar van de enorme krachten die vrijkomen, bij de ander en bij jezelf.

En daar eindigt dus het principe van jû...
Tijd om afscheid te nemen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen